ga naar homepagina

3 Octoberstraat 11
2313 ZL Leiden
tel. 071 - 5131024
fax 071 - 5125846

Reisverhaal Oezbekistan

       
  Chimgan
       
  Tasjkent toont zich nog geen prettige stad om in te leven. De stad is een vlechtwerk van zesbaanswegen met flatwijken ertussen. Terrassen vind je op de knooppunten, tegen het buitenste flatgebouw. Hier wordt het verkeerslawaai overstemd door vlakke disco-imitaties van westerse popsongs. Men houdt hier van thee met lawaai. Ook in onze flat kunnen we ons niet aan het stadse lawaai onttrekken. Een zesbaansweg loopt vlak voor ons huis. Op ons balkon weerkaatst het geluid tegen het balkon boven ons. Binnen denderen de vrachtwagens en bussen door ons huis, door ons hoofd, door onze gesprekken.

Oezbekistan zou in mijn verbeelding op Turkije lijken, het land waarmee het het sterkst aansluiting zoekt omdat de volkeren aan elkaar verwant zijn, en zij elkaars milde vorm van de islam delen. Maar Tasjkent toont zich toch vooral ex-Russisch. Geen theetuinen waarin je je enkele uren aan de herrie kunt onttrekken. Waarin je rustig een boek kunt lezen, kunt babbelen of een verhaal kunt schrijven. Geen steegjes om de hoek, waar oude mannen hun tijd op krukjes voor een koffiehuis doorbrengen - het moderne Tasjkent kent geen steegjes. Tasjkent is in 1966 grotendeels door een aardbeving verwoest. Dat was voor Moskou het sein om de goede verstandhouding met de Central Aziatische volkeren te onderstrepen door snel een moderne heilstad te bouwen. De beste Sovjet-architecten spoedden zich naar de verwoeste stad, met een groot leger Russische bouwvakkers in hun kielzog. Terwijl in Nederland de Bijlmer en Overvecht op de tekentafel lagen, werd hier met dezelfde idealen een miljoenenstad ontworpen: een fijn appartement voor iedereen, fijne grote wegen waarop iedereen met zijn autootje overal snel naar toe kan en een fijn picknickpark naast de deur, voor de zondag. Ook delen van de oude stad die nog overeind stonden, moesten er aan geloven. Slechts een klein stuk oude stad, met zijn onoverzichtelijke straatjes, zijn stof en lemen huisjes, heeft men laten staan, om de verworvenheden van de nieuwe tijd te onderstrepen. Tasjkent kent geen mooie gebouwen, geen Notre Dame, geen Vaticaan, geen Aya Sophia. Ik mis de Ponte Vecchio, boekstalletjes langs de Seine, de kleurrijke intimiteit van Kathmandu en de bergen die in de verte als gebroken kant de stad omzomen. Het moderne Tasjkent heeft niets om bij stil te staan.

Ons eerste uitstapje is niet naar een van die plaatsen waarvoor we gekomen zijn, Samarkand of Bouchara bijvoorbeeld, maar naar de frisse lucht en de stilte van de bergen. Tachtig kilometer ten noord-oosten van Tasjkent ligt in de uitlopers van de Tien Shan het ski-resort Chimgan verscholen. Als we de juiste bus zoeken, blijkt de verbinding met Chimgan niet eenvoudig: je moet twee keer overstappen en het is onzeker of dat vandaag, het is half drie, nog zal lukken. Onze Oezbeekse informant wil ons er wel voor een schappelijk bedrag heenrijden. Dankzij de paar woorden Duits die de man spreekt, verloopt de rit zeer geanimeerd. Meermalen begrijpen wij elkaar. Af en toe schrijft hij ter verduidelijking iets op, ondertussen met zijn Lada andere Lada s links en rechts passerend en kuilen in de weg ontwijkend. Hij vervoert dagelijks mensen van Tasjkent naar Chimgan en omgekeerd, dus we vertrouwen op zijn stuurmanskunst, ook als hij zijn Russisch met borende blikken kracht bijzet.

De weg voert langs huizen en huisjes, langs fabrieken en door gele velden met hier en daar koeien en paarden. Dorre heuvels verschijnen op de achtergrond, gele bergen komen naderbij. Na een uur slaan we rechtsaf de bergen in. De snelheid valt flink terug, verkeer is er nauwelijks meer. Na nog een half uur bereiken we een pas op 1700 meter en zien we voor ons, in een weids dal aan de voet van hoge bergen, Chimgan liggen: drie Russische flats, twee flats in aanbouw, een paar huizen, wat bouwsels en bouwseltjes, drie skiliften, een lege parkeerplaats, veel bomen en een lang lint van asfalt daartussen. Isola 2000 op zijn Oezbeeks, op 1600 meter. Links sluit een heuvel het dal af, rechts een steil rotsmassief met pieken tot boven de 3300 meter. Dit is de plaats waar mensen van heinde en ver naartoe komen voor zomer- en wintervakanties: uit Tasjkent, uit heel Centraal Azië, uit Moskou en de rest van Rusland, uit Duitsland, Frankrijk en Amerika. Hier kan men niet alleen skiën, klimmen en lange tochten door de bergen maken, maar ook paragliden (parachutespringen vanaf een berg), heliskiën en raften. Van hieruit kan men de Pamirs en de Tien Shan in, met of zonder expeditie.

We worden afgezet bij de drie flats, die gezamenlijk het enige officiële hotel blijken te zijn. We krijgen kamers op de zevende verdieping, met water op bepaalde uren van de dag. De lift weigert. Het is een stille periode - ´s zomers en ´s winters barst het hier van de mensen, maar nu, eind september, is alles in dit gebied goeddeels in ruste. Het hotel is berekend op vele honderden mensen, maar telt nu hooguit een paar handen vol. Wij hebben bij aankomst afgesproken om om zeven uur in het restaurant van het hotel te gaan eten, maar arriveren er een kwartier te vroeg. Sade schettert door de lege ruimte, waar voor zo n honderd mensen is gedekt. Overal staan servetjes als ronde piramides in de lucht te prikken. We zetten de muziek zachter en gaan op zoek naar de ober, die in de keuken net zijn das staat te strikken. Even later knipmest hij bij onze tafel en vraagt in het Russisch wat wij willen eten. Gelukkig spreekt hij ook de woorden beef, chicken, salad en potatoes uit en weten wij hem duidelijk te maken dat wij één beef en één chicken willen, en verder salad en potatoes. Hij herhaalt: one beef, one chicken, etc. Wij knikken omstandig yes en da en herhalen het, waarop hij het opnieuw herhaalt. Wij begrijpen elkaar. Het levert, drie minuten later, twee karige bordjes eten op, één met malse stukje bief en patatjes, en een met ei en patatjes. Ook de bijgeleverde stukjes tomaat en komkommer helpen niet onze honger te stillen. We nemen nog een gedeeld bordje bief met patatjes. Na een half uur rekenen wij een buitensporig hoog bedrag af. Nog voordat wij de zaal uit zijn, schalt de lijzige stem van Sade weer vol door de ruimte.

Het hotel heeft een bar en een ruimte met tafeltennistafels en biljarts. Maar de gang wint het als ontspanningsruimte: hier staat halverwege, tegenover een lange bank, een piepklein teeveetje tegen het plafond, dat de hele dag Amerikaans amusement met Russische stemmen laat zien. De bank telt vele meters mensen, die steevast in boven staren. Iedere keer als wij het hotel uitgaan of weer binnenkomen, voelen wij ons spitsroeden lopen, maar niemand raakt uit zijn trance. Zij kunnen gemakkelijk over ons heen kijken.

De volgende ochtend zoeken we Krisha op, een Rus die hier vergroeid is met de bergen. De eerste man die wij in Oezbekistan in korte broek en hemd zien rondlopen, zijn huid gebruind door de zon en getaand door de berglucht. Zijn korte pezige lichaam straalt rust en kracht uit, zijn ogen staan vriendelijk in zijn gegroefde gezicht. Tegenover het hotel, aan de andere kant van de weg, ligt een gebouw als een platgeslagen blok in het veld. Aan de achterkant daarvan moet Krisha wonen. We lopen langs twee blaffende Sint Bernards achter een groot hek, komen achter het gebouw uit, stappen over een ijzeren kabel en kloppen op de plaatstalen deuren waarachter we niets bewoonbaars meer verwachten. Na enige tijd doet Krisha een van de deuren open en nodigt ons binnen. In een verder kale ruimte staan ski's in allerlei maten, snowboards, pikhouwelen, klimtouwen, carabiners en rugzakken, aan de wand hangen wandelkaarten en foto´s van bergen, met en zonder helikopters, hanggliders en parasailers. Hij toont ons een rugzak met een parachute erin, hij kan ons leren parasailen. Hij kan ons alles leren wat je bergen kunt doen. Heliskiën, je zegt het maar. Vijf dagen de bergen in de omgeving in, of naar de hoge Pamirs of Tien Shan, Krisja zorgt voor de uitrusting en gaat mee als gids. Alleen raften en wildwaterkanoën door de sommige canyons vereisen flink wat oefening, maar er zijn ook minder wilde rivieren waar ook wij met een rubberboot op kunnen, met Krisja aan het roer. Hij vouwt kaarten uit en wijst ons waar het allemaal kan. Wij willen niet veel, wij willen alleen een kaart om in de omgeving te kunnen wandelen. Hij verkoopt ons een goede kaart en raadt ons een wandeling van vijf uur aan: een klein pasje over tussen de Grote en de Kleine Chimgan, de twee bergen die het dal aan de Oostkant domineren, en dan een stukje door de canyons achter die bergen. Dat lijkt ons een mooi voor de eerste dag. Het begin van het pad is moeilijk te vinden, maar daarna gaat het recht omhoog richting de pas, driehonderd meter boven het dal. Boven gekomen zien we voor ons de ene steile bergkam na de andere, met smalle diepe rivierdalen ertussen, een berggebied dat van hieruit doorloopt tot in Kirchizië en vervolgens tot diep in China. Hier zijn het nog drieduizenders van de Chatkal Mountains, verderop zijn het de zevenduizenders van de Tien Shan. Wij willen niet omlaag de canyon in, maar omhoog over een steile kam, de Kleine Chimgan op, waar we op 2100 meter een nog mooier uitzicht hebben, maar helaas niet meer bergen zien. Een enkel klein sneeuwveldje in de verte en rondcircelende gieren completeren ons uitzicht.

Dezelfde avond beproeven we ons geluk in het platgeslagen gebouw, waar in het russisch Restaurant op staat. We moeten tot zes uur wachten voordat we er kunnen eten. Dan stroomt in het hotel de bank leeg en slentert een kleine stoet Russen naar dit restaurant. Het lijkt een groep bannelingen. Iedereen kijkt glazig voor zich uit. Je komt ze slechts tegen in het hotel, in het restaurant of op de honderd meter daartussen. Later blijkt dat de meeste gasten hier voor hun rust komen. Pas als we een paar jonge Russische vrouwen twee dagen later bij de bus zien staan, voor hun terugtocht naar Tasjkent, zien we ze voor het eerst praten en lol maken. Ze verheugen zich weer op de Tasjkentse herrie en chaos, ze zijn blij dat hun rust er op zit. Na zessen is het restaurant vol en wordt het eten opgediend: gestoofde aardappelen met kool en schaapsvlees. Alleen aan onze tafel wordt gesproken en alleen wij zitten een half uur later nog aan tafel. De rest is dan al weer achter de teevee gekropen.

Onze reisgids heeft ons op het hart gedrukt de kabelbaan te nemen naar een van de uitlopers van de Grote Chimgan, van waaruit de vele rotspieken van deze berg nog beter te bewonderen zijn. De belangrijkste skilift van het dorp is echter in reparatie. Een breed pad, dat in de winter als skipiste dient, leidt ons naar hetzelfde punt. Onderweg halen we een vrouw in die we eerder in het hotel hebben gezien. We bereiken samen het eindpunt van de kabelbaan en kijken uit over het dal van Chimgan, met de Grote Chimgan in ons rug. Tatjana, een slanke Russische vrouw van in de dertig, komt hier regelmatig, vooral als het rustig is. Hier zijn de mensen aardig en open, in tegenstelling tot in Tasjkent. Daar wordt het leven harder en moeilijker en zijn de mensen steeds erg op hun hoede. Ze is administratrice in een ziekenhuis. Vroeger verdiende ze goed, maar tegenwoordig is haar maandelijkse salaris nog maar zo n 50 gulden waard, te weinig om van te kunnen leven. Een jaar geleden heeft ze haar flat verkocht en is ze bij haar moeder gaan wonen. Een deel van het geld heeft zij in een nieuwe Lada gestoken, maar als ze weer in geldnood is, zal ook die er aan moeten geloven. Misschien kan ze hem inruilen voor een tweedehandse en zo het leed tijdelijk nog verzachten. Hoe het op de lange termijn moet, is iets waar ze niet over nadenkt. Ze is niet de enige die klaagt over de stijgende prijzen en de salarissen die onvoldoende meegroeien. Uzbekistan behoort sinds de onafhankelijkheid tot de armste landen ter wereld, en voorlopig lijkt het er vooral slechter te gaan. Het staat er van alle Centraal Aziatische landen economisch het slechtste voor. Tevens heeft het van die landen het meest dictatoriale systeem, het grootste bureaucratische apparaat en de meeste politie, factoren die hier een economische opleving vooral in de weg lijken te staan. In het ziekenhuis is er, sinds de stroom medicijnen en apparatuur uit Rusland opdroogde, aan van alles gebrek. Oezbekistan mist de kennis en de fabrieken om de ziekenhuizen te kunnen bevoorraden, en beschikt niet over voldoende harde valuta om alles te kopen wat het niet zelf produceert. Oezbeken houden van oudsher meer van de handel. Bovendien levert dit in het huidige economische klimaat sneller geld op dan iets produceren. Het is veel eenvoudiger: je koopt en verkoopt en draagt een deel van de winst af aan de staat en een deel aan protectiegeld. De rest kun je in je zak steken. Je komt wel problemen tegen, zoals nieuwe invoerrechten, plotselinge invoerstops (die kosten steekpenningen) of problemen om aan dollars te komen als de officiële koers de waardedaling van de sum niet wil bijhouden, maar dat zijn problemen waar je vrij snel je vrij snel op kunt reageren of die hooguit een tijdelijke inkomstenderving betekenen. Als je produceert, komt de baat veel langer na de kost. In de tussentijd devalueert de sum en kun je voor veel verrassingen komen te staan. Je loopt tegen meer regels en wetten aan, dus tegen meer ambtenaren die alleen tegen betaling de benodigde documenten willen afgeven. De regels, zowel de landelijke als de plaatselijke, veranderen met de dag. Voor de handel is dit niet best, voor de bedrijvigheid is het vaak funest. Apparatuur en onderdelen moeten van ver komen, met alle onzekerheden van dien. Zet in zo n land maar eens een fabriekje op. Tatjana vraagt zich af: als iedereen handelt, wie zal er dan nog produceren?

Sinds de onafhankelijkheid gaat het een toplaag zeer goed. De rest gaat het steeds slechter. Vooral de Russen zitten in de verdrukking. Oezbekistan schudt zijn Russische vel van zich af. Het wil een land van Oezbeken worden, met het Oezbeeks als standaardtaal, in westers schrift, en met Oezbeken in plaats van Russen in overheidsdienst. Aangezien het tegelijk zijn communistische karakter behoudt (Oezbekistan tracht slechts in naam de economie te liberaliseren, in werkelijkheid bezit of controleert de staat nog grote delen van het economische leven en werpen allerlei overheden voortdurend barrières op tegen privé-initiatieven), zijn er weinig baantjes meer voor de Russen te vergeven. Voor Russische kinderen zijn er steeds minder scholen waarop men Russisch spreekt, terwijl het onzeker is of er later voor hun een plaats in de maatschappij zal zijn. Velen zijn terug naar Rusland gegaan, maar niet iedere Rus is ervan overtuigd dat hij daar van een betere toekomst verzekerd is.

Wij vragen Tatjana waar zij in Tasjkent het meest van houdt. Thuis zijn zegt ze. Na het werk wil ze zo snel mogelijk naar huis. Als het donker is, wordt de stad onaangenaam. Als vrouw alleen worden je oneerbare voorstellen gedaan, kun je gemakkelijk worden beroofd of aangerand. Zeker na achten hoor je thuis te zijn. De politie kan je aanhouden om te vragen wat je zo laat nog op straat doet en kan vervelend worden. Wij vroegen ons af waarom iedereen op straat zo schichtig is, waarom niemand elkaar aankijkt, met elkaar praat of een grapje maakt, en waarom de stad na achten zo uitgestorven is. Waarom voorstellingen hier om zes uur beginnen in plaats van later op de avond. Daarom dus. (Ook wij moeten uitkijken: als de politie zonder reden naar je paspoort vraagt en je geeft het af, dan kun je de pineut zijn. Je moet je paspoort namelijk terug zien te krijgen. Voor hoeveel dollars weet je niet, hoe lang het wachten en het onderhandelen duurt ook niet, en ook niet of je daarvoor mee moet naar het politiebureau. Geef in Oezbekistan nooit je paspoort af als een agent daarnaar vraagt. Toon hooguit wat ze willen zien, hou het goed vast en wacht tot ze genoeg van je hebben - ook agenten gaan dingen op den duur vervelend vinden.)

Als we afdalen naar Chimgan drukt Tatjana ons op het hart in Tasjkent nooit zomaar de deur voor iemand open te doen, een waarschuwing die praktisch iedereen zal herhalen, op dezelfde indringende wijze. Iedereen vreest hier de groepen die mensen thuis beroven. Soms met politiepak aan, al of niet in functie. Altijd eerst weten wie er is en dan pas de deur open doen, anders zijn in Tasjkent je spullen niet veilig. Dit geldt zeker voor ons: we zijn buitenlanders en wonen in een goede wijk en zijn dus een goede prooi. Dit is het Tasjkent waarin wij in al onze argeloosheid wonen.

De volgende dag verhuizen wij naar het Avalanche Station , een groot huis waarin een groep bergbeklimmers en skileraren een weerstation runt. In de winter onderzoeken zij tevens de sneeuw op lawinegevaar en redden zij skiërs met in nood. Hier vinden we Llosja, een van de beste bergbeklimmers van het land, en Elena, zijn vrouw, die in Moskou voor dokter heeft gestudeerd en in dit dorp de eerste hulp verzorgt. Llosa laat ons eigengemaakte video´s zien van expedities naar de top van de Pik Lenina, met zijn 7100 meter de een na hoogste berg van de Pamirs. Andere video s tonen loodrechte rotswanden die duizenden meters omhoog rijzen, waarvan de beklimmingen drie tot zes dagen hebben geduurd. Llosa lijkt een lange slungel, maar moet van staal zijn. Sacha is net van een paar dagen vissen in de bergen terug. Hij is skileraar. Zijn lichaam veert bij iedere stap en als hij staat, lijkt hij aan het begin van een afdaling te staan: knieën losjes in een lichte hoek, billen wat naar achteren, bovenlijf iets vooruit en armen bungelend langs het lichaam. Hij laat video´s zien van een Zwitserse firma die hier het heliskiën verder wil ontwikkelen. Dominique Perec, een Zwitserse ski-stuntman, springt uit helikopters en raast de stijlste hellingen af, langs rotsblokken, door lawines en over de cameraman. Vooral een sprong van 30 meter uit een helikopter ontmoet veel bijval, ook al omdat deze recordsprong door een man van het Guiness book of Records ter plekke is opgetekend. Wij spreken met hem af dat hij ons leert snowboarden als er nog voor ons vertrek voldoende sneeuw ligt, op het weitje naast het Avalanche Station. De volgende dag heeft Albert, een man van in de veertig, korveedienst: hij zorgt de hele dag voor het eten. ´s Ochtends krijgen we van hem op het balkon warme blini s (kleine dikke pannekoekjes), brood met omelet, sap van verse tomaten, koffie en thee. Nadat we terug zijn van een wandeling naar de top van de heuvel aan de overkant van Chimgan, krijgen we ´s middags zachte deegbolletjes met ui en gehakt erin en koude aubergine met tomaat. Terak, een Kazach, schenkt met veel enthousiasme onze eierdoppen steeds opnieuw vol met wodka. Met hem hadden we tot nu toe slechts spaarzame blikken gewisseld, maar dat veranderde toen hij vroeg of wij Jan kenden. "Jan", vroegen wij, "Jan de Zeeuw?" Jan, ja, die Jan! Zijn ogen begonnen te glimmen en de taalbarrière bleek opeens niet onoverbrugbaar meer. Jan de Zeeuw heeft enige tijd geleden in Tasjkent lesgegeven en blijkt regelmatig dit Avalanche Station te hebben bezocht. Wij hebben hem kort voor ons vertrek ontmoet, maar wisten niet dat hij hier geweest was. Nu doet de Kazak evenveel pogingen om zich aan ons verstaanbaar te maken als de rest. Hij toont ons foto´s waarop het hele stel hoog in de bergen op ski's poseert voor de helikopter die hun erheen heeft gevlogen, en later in hun donsjacks voor koepeltentjes zit te eten rond een klein vuurtje, tijdens expeditie in de hoge Pamirs. Op ons verzoek heeft Albert s middags de sauna in het huis aangezet. Om half acht betreden wij de kleine houten ruimte waarvan de temperatuur bovenin meer dan honderd graden is, om het opgedroogde zweet van de wandeling en een deel van de wodka weer kwijt te raken. Na afloop drinken we bier met Sacha en vergast Albert ons opnieuw op een uitgebreide maaltijd. Voor de tweede keer deze dag zitten we aan tafel in het gezelschap van deze rustige, gezellige bergfanaten, in dit land waar het leven voor meesten zeker na de onafhankelijkheid zwaar en onzeker is geworden. Ik vraag aan Albert: "This is good life?". "Da", zegt hij, "Good life: good food, fresh food, good air, good place."

 

    ANDERE VERHALEN:

Korte verhalen

Reisverhalen Turkije



Reisverhalen Oezbekistan